Les 4: Stijl

Critici en recensenten hebben het vaak over een goede stylist als ze het over een schrijver hebben. Dat is een van de grootste complimenten die een schrijver kan krijgen.

Stijl is het cement van de schrijver

 

Goede stijl is echter nog wat anders dan ‘mooi schrijven’. Stijl gaat niet zozeer over de verbale kunstjes die de schrijver gebruikt, maar gaat veel meer over hoe hij het verhaal bij de lezer brengt, dus over communicatie.

Een paar korte, krachtige zinnen zonder franje doen het bij het beschrijven van een tragisch voorval bijvoorbeeld veel beter dan lange zinnen waarin een handvol metaforen zitten. ‘De zon brandde die dag zo ongenadig dat de wereld niet meer kon ademen’, zegt meer dan enkele zinnen waarin gezegd wordt dat het die dag heet was, de mensen verkoeling zochten in de fonteinen of gewoonweg binnen bleven en het daardoor stil was in de straten.

Stijl moet sprankelend zijn en niet uitgeblust zoals frisdrank waar geen bruis meer in zit. Een welgekozen beeld zegt vaak veel meer dan een reeks ellenlange zinnen, of zoals de Chinezen zeggen: een beeld zegt meer dan duizend worden.

Goede stijl vraagt om beelden, maar wel in de juiste dosering. De beeldspraak is dan ook niet voor niets het meest geliefde stijlmiddel van de schrijver.

Minder is meer

Het gebruik van stijlfiguren kan de literaire waarde van het verhaal natuurlijk behoorlijk de hoogte in drijven, maar het kan even goed zorgen voor een indigestie bij de lezer. Zoals in alles is hier ook mate het leidmotief. Stijlfiguren gebruiken mag dan ook nooit een doel zijn, maar moet een middel blijven.

Bovendien werkt ‘minder is meer’ ook vaak als men het heeft over het gebruik van stijlfiguren in een boek. Dat geldt zeker op het ogenblik dat het verhaal een beslissende wending gaat krijgen. Zeker op dat ogenblik moet het verhaal meer spreken dan de schrijver.

Drie elementen

Een goede stijl zorgt ervoor dat de drie elementen van een boek, namelijk handeling, tijd en plaats op de juiste manier tot leven gewekt worden. De lezer mag op geen ogenblik twijfelen over de verteltijd en de vertelruimte en hij moet precies weten wat er gebeurt, anders haakt hij af.

Tijd

Eerst is er dus de tijd. Sommige schrijvers willen een tijdloos verhaal vertellen, maar dat heeft in de meeste gevallen maar een beperkte houdbaarheidsdatum. De lezer verkiest een tijd, met personages in kledij, met taalgebruik, gereedschappen en sociale conventies eigen aan die tijd. Dat noemt men ‘de stoffering’ van het verhaal en die moet juist zitten, anders stoot ze de lezer tegen de borst.

Plaats

Wat de plaats van handeling betreft, moet de lezer zich een zo exact mogelijke ruimtelijke voorstelling kunnen geven waar die zich afspeelt. Hoe liggen de verschillende vertrekken van het huis, is het er licht of donker, is er een trap.

Het gaat zelfs zover dat de lezer zich op de plaats van actie imaginair moet kunnen bewegen, weten wat hij ziet als hij door het raam kijkt, weten welke omgevingsgeluiden er zijn. Daarin speelt de juiste woordkeuze een belangrijke rol, een trap is iets anders dan een lift, een stadstuin verschilt van een domein rond het huis.

Handeling

Na de tijd en de plaats komt de handeling als derde verhaalcomponent. Wat doen de personages? Hoe verhouden ze zich tot mekaar en welke is hun familieband? Wat zijn ze van plan? Hoe heten ze? Wat die laatste vraag betreft is het van belang om de namen van de personages zo te kiezen dat weinig verwarring mogelijk is.

Twee personages met dezelfde voornaam zijn uit den boze omdat zoiets alleen verwarring sticht, tenzij dat natuurlijk de bedoeling was. Bovendien is het nuttig om ieder personage minstens één markante eigenschap mee te geven, wat het voordeel heeft dat de schrijver niet steeds hun naam moet herhalen. Als Jan groot is en Piet klein, kan hun naam in de actie vervangen worden door ‘de grote’ en ‘de kleine’, wat de scène ook visueel aantrekkelijker maakt.

Ook bij de handeling speelt de keuze van het juiste woord een allesbepalende rol, in dit geval hebben we het natuurlijk over het werkwoord.

“Een goed gekozen werkwoord maakt de handeling zichtbaar, zelfs voelbaar. ‘Hij trommelde met de vingers op de tafel’ is aantrekkelijker dan ‘hij was nerveus’.”

Dat laatste is een droge mededeling, het eerste is een evocatie, dit wil zeggen door een gebaar of een houding wordt weergegeven wat het personage doet en tegelijk hoe het zich voelt. De lezer houdt van lichaamstaal. Zij maakt het ook voor de schrijver mogelijk aan te duiden wat het personage van plan is.

Dialoog met de lezer

De gebeurtenissen en hun opeenvolging raken de lezer en stuwen hem mee door het verhaal, maar ook de wijze waarop die gebeurtenissen verteld worden is van groot belang, want ook zij brengt bij de lezer een effect teweeg. Sommige lezers houden meer van ironie, andere van droge humor, weemoed, ingetogenheid. Omdat de lezer geen eenduidig iemand is, moet de schrijver erop letten dat van alle voorgaande ingrediënten iets in het verhaal aanwezig is, als het kan in de juiste dosering.

De beschrijving van de tederheid die verborgen ligt achter stoerdoenerij en grappen, is daar een mooi voorbeeld van. Een verkeerde toonzetting is nefast voor het verhaal, eentonigheid is de doodsteek ervan. Over één ingrediënt bestaat geen discussie: de dialogen moeten verlopen in een spreektaal en niet in een ineen geknutseld allegaartje van woorden en constructies die je in het dagelijkse leven nooit tegenkomt. De personages moeten spreken als echte mensen en iet leuteren.

“De dialoog is belangrijk, want elk woord dat de personages spreken of verzwijgen brengt het verhaal een stapje verder. De dialoog is een uitermate belangrijk element in het afstevenen op de ontknoping. Essentieel is te weten dat de dialoog informatie geeft die daarna niet nog eens in een zin moet herhaald worden. ‘Zal ik wat gaan halen om te eten?’ volstaat en moet niet gevolgd worden door ‘hij had honger’.”

In de dialoog wordt vertoond en niet verteld. Dat belet niet dat een dialoog mag en zelfs moet onderbroken worden als die toevoeging iets onthuld dat in de dialoog niet wordt weergegeven. Als iemand zegt ‘ik moet dringend weg, ik heb nog wat te doen’ en dat gevolgd wordt ‘hij sloeg de ogen neer’ beseft de lezer dat het ene personage het andere belazert.

 

Ook is het nuttig een lange reeks dialogen te onderbreken met welk personage juist wat zegt, anders verliest de lezer de draad. Ook voor sfeerschepping mag een dialoog door een indirecte zin onderbroken worden. Begaafde schrijvers geven de personages vaak een eigen intonatie mee, eigen woorden, een eigen ritme van de zinnen. Zelden gebeurt dat echter bij de beginnende schrijver. Het is ook niet strikt nodig om een goed boek af te leveren. Je focus is immers: het verhaal.

Meer weten?



Gratis white paper (pdf)

Download gratis (Kindle)

amazon-kindle-logo

Blij met dit gratis ebook? Like & deel het met je vrienden.